Makers en stakers
Makers en stakers
1.5 hrs read
Rate this book:
About This Book
Strategieën voor een respectvol leven
Henk Wals, adjunct-directeur van het IISG, heeft onderzoek gedaan naar bestaansstrategieën van arbeiders, en het resultaat vastgelegd in het boek ‘Makers en Stakers’ . Individuele bestaansstrategieën zijn erop gericht als individu, c.q. als gezin, in redelijke materiële omstandigheden te leven, een zeker (zelf)respect te verwerven en de kinderen groot te brengen. Het verrichten van arbeid voor loon is de belangrijkste strategie, maar ook het voorkomen van risico’s bij de arbeid. Dan gaat het om het vermijden van de gevolgen van ziekte, werkloosheid of ouderdom. Van collectieve bestaansstrategieën is sprake als men zich organiseert om gemeenschappelijke belangen te behartigen. Bij arbeiders gaat het dan vooral om de keuze om zich in vakorganisaties te organiseren. Om onderzoekstechnische redenen heeft Wals gekozen voor onderzoek naar bestaansstrategieën bij de Amsterdamse bouwvakarbeiders in het eerste kwart van de 20e eeuw.
Wals kiest hierbij voor een moderne benadering van de sociale geschiedschrijving. Niet de grote namen en de beleden ideologieën staan centraal, maar de dagelijkse afwegingen van de gewone man. Arbeiders worden niet beschouwd als ‘onbewuste’(c.q. nog niet ‘klassenbewuste’) massa, maar als mensen die individueel bewuste afwegingen maken (‘calculeren’, zo men wil) en intentioneel, doelgericht handelen.
Drie delen
In drie delen brengt Wals een grote hoeveelheid informatie bij elkaar over de arbeids- en leefomstandigheden van de Amsterdamse bouwvakarbeider. Het eerste deel beschrijft de veranderingen in de organisatie van de bouwproductie, die voor de bouwvakarbeiders verslechteringen met zich mee brengen. De risico’s van ziekte, werkloosheid, ouderdom worden groter. Als antwoord daarop ontstaan fondsen en verzekeringen, terwijl de overheid met wetgeving langzaam maar zeker bijdraagt om de risico’s van het arbeidersbestaan enigszins af te dekken. Het tweede deel beschrijft het materiële en niet-materiële bestaan van de bouwvakarbeiders – en hun gezinnen- en de vele verschillende individuele strategieën die gevolgd kunnen worden om de risico’s van het bestaan af te dekken. Het derde deel beschrijft de collectieve strategieën, waarbij ingegaan wordt op vragen als waarom er actie gevoerd wordt en waarom arbeiders zich aansluiten bij een vakorganisatie. Wals beschrijft hierbij de verschillende strategieën die de ‘onafhankelijke’(syndicalistische) vakbeweging en de ‘moderne’ vakbeweging volgen.
Zelfrespect
De kern van de benadering van Wals ligt in de beschrijving van het niet-materiële bestaan van de bouwvakarbeider. Wals weigert te accepteren, dat het leven van de (bouwvak)arbeider in deze periode alleen maar grauw en grijs is, zoals veel geschiedschrijving wil doen geloven. Hij zoekt naar de betekenis die de leef- en werkomstandigheden voor de arbeider hebben en wat dit betekent voor het handelen. Het verlangen naar respect vormt hierbij het centrale thema. Dit is gebaseerd op het uitgangspunt dat ieder mens gerespecteerd en gewaardeerd wil worden om wat hij of zij is. Het individuele handelen van de arbeider zal er dan ook op gericht zijn respect en waardering te verwerven. Wals geeft aan, dat de veranderingen in de arbeidsomstandigheden en –voorwaarden, die zich in deze periode voordoen, een aanslag vormen op het zelfrespect van de bouwvakarbeider. Hij beschrijft dan verschillende soorten gedrag, die kunnen leiden tot het herstellen van zelfrespect: in verzet komen, zich laten voorstaan op eigen vakmanschap, discipline (5 jaar lang 5 avonden naar school voor een vakopleiding) en zelfbeheersing (drank laten staan), trots op de eigen organisatie, imitatie van ‘burgerlijk’ gedrag, grof en onbeschaamd gedrag. De wijze waarop verschillende arbeiders individueel handelen om gerespecteerd en gewaardeerd te worden, is medebepalend voor de vormen die de collectieve bestaansstrategieën krijgen.
Verzet en belangenbehartiging
In de door Wals onderzochte periode wordt de vakorganisatie langzaam maar zeker een geaccepteerd instituut. Eerst moet echter de strijd tussen verschillende stromingen beslecht worden. Enerzijds is er de ‘onafhankelijke’, syndicalistische vakorganisatie, die zich vooral richt op het plegen van ‘verzet’ en het omverwerpen van de bestaande machtsverhoudingen. De collectieve strategie van de werkstaking wordt daarbij ingezet waar mogelijk. Het is meer een doel dan middel, maar blijkt lang niet altijd een effectieve strategie te zijn om het individuele bestaan te veraangenamen. Integendeel. Anderzijds is er de ‘moderne’ vakorganisatie, die zich meer richt op ‘belangenbehartiging’. De werkstaking wordt daarbij meer als ‘dreigmiddel’ gezien, dat pas als uiterste machtsmiddel zal worden ingezet.
In de beschrijving maakt Wals nu aannemelijk, dat er verband bestaat tussen soorten vaklieden, de wijze waarop men respect wenst te verwerven, en de keuze voor collectieve bestaansstrategieën. In genoemde periode blijkt de opperman bijvoorbeeld zes keer zoveel te staken als de timmerman. Dat wil zeggen: de ongeschoolde opperman, die vaker tijdelijk werk heeft en in de nieuwbouw werkt en vaker werkloos is, zal eerder voor een verzetsstrategie kiezen en gaan staken, en zal (dus) eerder voor de onafhankelijke vakbond kiezen. Anderzijds zal de geschoolde timmerman, die vaker een vaste arbeidsplaats heeft (en dicht bij de patroon staat) en minder werkloos is, eerder kiezen voor een belangenbehartigingsstrategie, en (dus) eerder voor de moderne vakbond kiezen. In de door Wals onderzochte periode kristalliseert zich langzaam maar zeker uit, dat de moderne vakorganisatie meer te bieden heeft om het individuele bestaan te veraangenamen en om respect te verwerven, dan de onafhankelijke vakorganisatie.
‘Van Zuinigheid die de wijsheid bedriegt’
Makers en Stakers is vooral een beschrijvend boek, waarin veel feitelijke informatie bij elkaar is gebracht. Daarbij leidt de vele informatie wel eens af van het doel van het boek: de betekenis en gevolgen van individuele en collectieve bestaansstrategieën zichtbaar maken. Het boek is ook wat ontnuchterend, als je de ontstaansperiode van de vakorganisatie vooral hebt willen zien als een periode van het ontstaan van DE solidariteit en DE saâmhorigheid. Opportunistische overwegingen om lid te worden en weer op te zeggen, hebben tot gevolg, dat er een groot verloop is onder de vakbondsleden. Veel arbeiders blijken lid te worden omdat het –op de korte termijn- bruikbaar is in de individuele bestaansstrategie. Dan gaat het bijvoorbeeld om bijstand in verband met een komende staking, of verwachte werkloosheid. Slechts een minderheid van de vakbondsleden blijkt het vakbondslidmaatschap te zien als een collectieve bestaansstrategie, waarmee voor ‘de goede zaak’ gestreden werd. Dat zijn de actieven, de kaderleden. De belangrijkste motieven om langdurig lid te blijven van de vakbond liggen in de geboden verzekeringen en andere diensten. Verzekeringen zijn vanuit de optiek van de organisatie een middel om de arbeiders aan de organisatie te blijven binden. Dit riep intern wel de vraag op of men nu strijdorganisatie was of steunorganisatie.
Tenslotte kan gezegd worden, dat Makers en Stakers zich laat lezen als een marketing-analyse. Wat biedt je de ‘klant’ om hem of haar aan je te blijven binden. De leiding van de organisatie heeft zich uiteen te zetten met de individuele en collectieve bestaansstrategieën van de arbeiders. Wellicht biedt onderzoek naar –en respect voor- de vele verschillende individuele en collectieve bestaansstrategieën van de huidige werkende bevolking , mogelijkheden om de bindingskracht van de vakbeweging te verhogen. Immers, ook nu gaat het veelal uiteindelijk nog steeds om het veraangenamen van het individuele en (collectieve) bestaan, en daarvoor als vakorganisatie een strategie te bieden.
Bert Ormel
mei 2001
Henk Wals, Makers en Stakers; Amsterdamse bouwvakarbeiders en hun bestaansstrategieën in het eerste kwart van de twintigste eeuw. Stichting Beheer IISG, Amsterdam 2001; ISBN 90.6861.209.3.
Henk Wals, adjunct-directeur van het IISG, heeft onderzoek gedaan naar bestaansstrategieën van arbeiders, en het resultaat vastgelegd in het boek ‘Makers en Stakers’ . Individuele bestaansstrategieën zijn erop gericht als individu, c.q. als gezin, in redelijke materiële omstandigheden te leven, een zeker (zelf)respect te verwerven en de kinderen groot te brengen. Het verrichten van arbeid voor loon is de belangrijkste strategie, maar ook het voorkomen van risico’s bij de arbeid. Dan gaat het om het vermijden van de gevolgen van ziekte, werkloosheid of ouderdom. Van collectieve bestaansstrategieën is sprake als men zich organiseert om gemeenschappelijke belangen te behartigen. Bij arbeiders gaat het dan vooral om de keuze om zich in vakorganisaties te organiseren. Om onderzoekstechnische redenen heeft Wals gekozen voor onderzoek naar bestaansstrategieën bij de Amsterdamse bouwvakarbeiders in het eerste kwart van de 20e eeuw.
Wals kiest hierbij voor een moderne benadering van de sociale geschiedschrijving. Niet de grote namen en de beleden ideologieën staan centraal, maar de dagelijkse afwegingen van de gewone man. Arbeiders worden niet beschouwd als ‘onbewuste’(c.q. nog niet ‘klassenbewuste’) massa, maar als mensen die individueel bewuste afwegingen maken (‘calculeren’, zo men wil) en intentioneel, doelgericht handelen.
Drie delen
In drie delen brengt Wals een grote hoeveelheid informatie bij elkaar over de arbeids- en leefomstandigheden van de Amsterdamse bouwvakarbeider. Het eerste deel beschrijft de veranderingen in de organisatie van de bouwproductie, die voor de bouwvakarbeiders verslechteringen met zich mee brengen. De risico’s van ziekte, werkloosheid, ouderdom worden groter. Als antwoord daarop ontstaan fondsen en verzekeringen, terwijl de overheid met wetgeving langzaam maar zeker bijdraagt om de risico’s van het arbeidersbestaan enigszins af te dekken. Het tweede deel beschrijft het materiële en niet-materiële bestaan van de bouwvakarbeiders – en hun gezinnen- en de vele verschillende individuele strategieën die gevolgd kunnen worden om de risico’s van het bestaan af te dekken. Het derde deel beschrijft de collectieve strategieën, waarbij ingegaan wordt op vragen als waarom er actie gevoerd wordt en waarom arbeiders zich aansluiten bij een vakorganisatie. Wals beschrijft hierbij de verschillende strategieën die de ‘onafhankelijke’(syndicalistische) vakbeweging en de ‘moderne’ vakbeweging volgen.
Zelfrespect
De kern van de benadering van Wals ligt in de beschrijving van het niet-materiële bestaan van de bouwvakarbeider. Wals weigert te accepteren, dat het leven van de (bouwvak)arbeider in deze periode alleen maar grauw en grijs is, zoals veel geschiedschrijving wil doen geloven. Hij zoekt naar de betekenis die de leef- en werkomstandigheden voor de arbeider hebben en wat dit betekent voor het handelen. Het verlangen naar respect vormt hierbij het centrale thema. Dit is gebaseerd op het uitgangspunt dat ieder mens gerespecteerd en gewaardeerd wil worden om wat hij of zij is. Het individuele handelen van de arbeider zal er dan ook op gericht zijn respect en waardering te verwerven. Wals geeft aan, dat de veranderingen in de arbeidsomstandigheden en –voorwaarden, die zich in deze periode voordoen, een aanslag vormen op het zelfrespect van de bouwvakarbeider. Hij beschrijft dan verschillende soorten gedrag, die kunnen leiden tot het herstellen van zelfrespect: in verzet komen, zich laten voorstaan op eigen vakmanschap, discipline (5 jaar lang 5 avonden naar school voor een vakopleiding) en zelfbeheersing (drank laten staan), trots op de eigen organisatie, imitatie van ‘burgerlijk’ gedrag, grof en onbeschaamd gedrag. De wijze waarop verschillende arbeiders individueel handelen om gerespecteerd en gewaardeerd te worden, is medebepalend voor de vormen die de collectieve bestaansstrategieën krijgen.
Verzet en belangenbehartiging
In de door Wals onderzochte periode wordt de vakorganisatie langzaam maar zeker een geaccepteerd instituut. Eerst moet echter de strijd tussen verschillende stromingen beslecht worden. Enerzijds is er de ‘onafhankelijke’, syndicalistische vakorganisatie, die zich vooral richt op het plegen van ‘verzet’ en het omverwerpen van de bestaande machtsverhoudingen. De collectieve strategie van de werkstaking wordt daarbij ingezet waar mogelijk. Het is meer een doel dan middel, maar blijkt lang niet altijd een effectieve strategie te zijn om het individuele bestaan te veraangenamen. Integendeel. Anderzijds is er de ‘moderne’ vakorganisatie, die zich meer richt op ‘belangenbehartiging’. De werkstaking wordt daarbij meer als ‘dreigmiddel’ gezien, dat pas als uiterste machtsmiddel zal worden ingezet.
In de beschrijving maakt Wals nu aannemelijk, dat er verband bestaat tussen soorten vaklieden, de wijze waarop men respect wenst te verwerven, en de keuze voor collectieve bestaansstrategieën. In genoemde periode blijkt de opperman bijvoorbeeld zes keer zoveel te staken als de timmerman. Dat wil zeggen: de ongeschoolde opperman, die vaker tijdelijk werk heeft en in de nieuwbouw werkt en vaker werkloos is, zal eerder voor een verzetsstrategie kiezen en gaan staken, en zal (dus) eerder voor de onafhankelijke vakbond kiezen. Anderzijds zal de geschoolde timmerman, die vaker een vaste arbeidsplaats heeft (en dicht bij de patroon staat) en minder werkloos is, eerder kiezen voor een belangenbehartigingsstrategie, en (dus) eerder voor de moderne vakbond kiezen. In de door Wals onderzochte periode kristalliseert zich langzaam maar zeker uit, dat de moderne vakorganisatie meer te bieden heeft om het individuele bestaan te veraangenamen en om respect te verwerven, dan de onafhankelijke vakorganisatie.
‘Van Zuinigheid die de wijsheid bedriegt’
Makers en Stakers is vooral een beschrijvend boek, waarin veel feitelijke informatie bij elkaar is gebracht. Daarbij leidt de vele informatie wel eens af van het doel van het boek: de betekenis en gevolgen van individuele en collectieve bestaansstrategieën zichtbaar maken. Het boek is ook wat ontnuchterend, als je de ontstaansperiode van de vakorganisatie vooral hebt willen zien als een periode van het ontstaan van DE solidariteit en DE saâmhorigheid. Opportunistische overwegingen om lid te worden en weer op te zeggen, hebben tot gevolg, dat er een groot verloop is onder de vakbondsleden. Veel arbeiders blijken lid te worden omdat het –op de korte termijn- bruikbaar is in de individuele bestaansstrategie. Dan gaat het bijvoorbeeld om bijstand in verband met een komende staking, of verwachte werkloosheid. Slechts een minderheid van de vakbondsleden blijkt het vakbondslidmaatschap te zien als een collectieve bestaansstrategie, waarmee voor ‘de goede zaak’ gestreden werd. Dat zijn de actieven, de kaderleden. De belangrijkste motieven om langdurig lid te blijven van de vakbond liggen in de geboden verzekeringen en andere diensten. Verzekeringen zijn vanuit de optiek van de organisatie een middel om de arbeiders aan de organisatie te blijven binden. Dit riep intern wel de vraag op of men nu strijdorganisatie was of steunorganisatie.
Tenslotte kan gezegd worden, dat Makers en Stakers zich laat lezen als een marketing-analyse. Wat biedt je de ‘klant’ om hem of haar aan je te blijven binden. De leiding van de organisatie heeft zich uiteen te zetten met de individuele en collectieve bestaansstrategieën van de arbeiders. Wellicht biedt onderzoek naar –en respect voor- de vele verschillende individuele en collectieve bestaansstrategieën van de huidige werkende bevolking , mogelijkheden om de bindingskracht van de vakbeweging te verhogen. Immers, ook nu gaat het veelal uiteindelijk nog steeds om het veraangenamen van het individuele en (collectieve) bestaan, en daarvoor als vakorganisatie een strategie te bieden.
Bert Ormel
mei 2001
Henk Wals, Makers en Stakers; Amsterdamse bouwvakarbeiders en hun bestaansstrategieën in het eerste kwart van de twintigste eeuw. Stichting Beheer IISG, Amsterdam 2001; ISBN 90.6861.209.3.
Buy This Book
As an Amazon Associate and Bookshop.org affiliate, BookOrb earns from qualifying purchases.
Write a Review
Sign in to write a review.