Biography

Verspijck werd geboren in Gent op 19 februari 1922. In 1842 werd hij, na zijn militaire vorming aan de Koninklijke Militaire Academie, als 2de luitenant geplaatst bij het 5de regiment infanterie; vier jaar later vertrok hij met de Amboina vanuit Hellevoetsluis naar Nederlands Indië om aldaar dienst te gaan doen bij de infanterie.
“Het was het jaar 1854! De bevolking op de westkust van Borneo kromde zich onder het juk van de Taij-Kong Chinezen, die met onverraderlijke gouddorst hen uitmergelden, plunderden en hun vrouwen en kinderen roofden. Uiteindelijk hieven de Chinezen de hand ook tegen Nederland op, dat daar zijn vlag geplant had, maar, door de Java-oorlog afgeleid, zich te weinig met de binnenlandse staatkunde had beziggehouden. Het geducht verbond van de Chinese republieken moest verbroken worden. Fort Sorg werd opgericht maar de Taij-Kong kongsi of republiek versterkte zich nu te Montrado: die overweldiger moest worden tegen gehouden. Een macht van 1.700 bajonetten ontscheepte onder luitenant kolonel A.J Andresen. Toen volgde de beroemde mars van Singkawang; tijdens die veldtocht kreeg Verspijck bevel de vijand aan te vallen, die zich in de bergen, op een half uur van Montrado had verschanst.
Door een moerassig vlakte moest kapitein Verspijck zich een weg banen, terwijl uit het bos op de heuvels de kogels hem om de oren vlogen. Nadat hij alle maatregelen kalm en voorzichtig had genomen gelastte hij de hoornblazers de stormmars te blazen. De Chinezen konden niet missen, zo dicht stonden de Hollanders bij hun tjonto’s, lilla’s en geweren. Daar stond kapitein Verspijck op de borstwering… en naast hem viel de dappere luitenant Chambry, door drie kogels dodelijk getroffen. Sergeant de Haan en vier soldaten waren gevolgd en stormden mee in tegen het vuur dat hen verminkte. De Chinezen, die zich veilig waanden in een onneembare positie werden met het blanke geweer overweldigd en verdreven en van de sterkte wapperde nu weer de Hollandse vlag! Toen kort daarop een officier als assistent-resident moest worden aangesteld was kapitein Verspijck de aangewezen man.”
Verspijck moest het nu opnemen tegen een geheim verbond, de Chinese vereniging der Sam-tjam-foei of Drie Vingeren Verbond, dat in het verborgene werkte; een schrikbewind, dat de bevolking door schrik en doodsangst onder zijn macht wilde brengen; de dertig Chinezen aan het hoofd waren moordenaars. Geen middel was hen te laag; moord, diefstal en brand maar eindelijk gelukte het Verspijck een draad te vatten om tot het midden van het doolhof vol verraad te komen. Hij aanvaardde met30 bajonetten een nachtelijke tocht door het woud naar het roversnest, overviel de Sam-tjam-foei, velde de voornaamste hoofden en maakte zich meester van de tjap, het geheimzinnige stempel dat steeds gehoorzaamd werd – van de statuten, van het register, van de leden en gaf het verbond daardoor de doodsteek. Zeg mannen! Zouden jullie morgen niet allen trompetters willen zijn, om voor de woning van generaal Verspijck met volle kracht van de longen het Wilhelmus te gaan blazen?
Na deze zegepraal kon assistent resident Verspijck zich wijden aan wat het dringendste nodig was: wegen werden getraceerd, gezondheidsmaatregelen doortastend uitgevoerd, koffie en rijst geplant; beschavend, ordenend en tot zegen van de bevolking trad hij op. Na twee jaar heerste er orde en welvaart in geheel Montrado.
In 1859 werd Verspijck, als jong majoor bij keuze naar het Bandjerse rijk in Borneo gezonden om kolonel Andresen te vervangen en de leiding der expeditie op zich te nemen. Omdat het Nederlandse gouvernement de rechten van de troonopvolger Hidayat miskend had, was het sultansrijk in volle opstand en werden talloze Nederlanders wreed vermoord. Een van de stoutste tochten van de vele die Verspijck in deze oorlog ondernam was de mars van Mantallat naar de Teweh – een landschap meer dan honderd uren van de hoofdplaats verwijderd, diep in het binnenland, het vroegere woonoord van Antassari, die Z.M. stoomschip De Onrust verraderlijk afliep en de gehele bemanning uitmoordde. Het was een tocht van 20 dagen door een maagdelijk woud, waarin voet voor voet de weg moest worden gekapt en de colonne ieder ogenblik aan een overval blootstond; die tocht, een meesterstuk van knoestige onbuigzaamheid, gaf de bevolking de overtuiging dat geen oord voor onze soldaten onbereikbaar was, dat verdere tegenstand nutteloos gerekend kon worden.
Bij dagorder van 25 mei 1861 werd Verspijck voor zijn werk te Bandjermasin beloond met de Militaire Willemsorde 3de klasse en bij koninklijk besluit van 21 januari 1862 werd hij buitengewoon bevorderd tot luitenant kolonel voor zijn verrichtingen in de Zuider –en Oosterafdeling van Borneo.
Na het mislukken van de eerste expeditie werd generaal Verspijck door Loudon (op de 17de april 1873) benoemd tot opperbevelhebber van de land –en zeemacht van de expeditie en ontving order om met de eerste scheepsgelegenheid zich naar het terrein van de oorlog te begeven met twee bataljons infanterie en enige artillerie. Maar Loudon besloot in een vergadering van 20 april dat er bevel gegeven moest worden aan de gouvernementscommissaris F.N. Nieuwenhuijzen om met de troepen terug te keren naar Batavia, aldus werd de expeditie en ook het toezenden van versterking gestaakt.
Er was reeds bepaald dat in de aanstaande gunstige moesson een tweede expeditie zou worden uitgezonden; op 8 mei werd aan de legercommandant aan de gouverneur generaal opgegeven, dat die expeditie 7.000 man infanterie sterk (behoudens de nodige artillerie, cavalerie en hulptroepen) moest zijn, een commando aldus voor een generaal officier; behalve de commandant van het leger was de enige andere (generaal majoor) Verspijck. Dit, in verband met de omstandigheid dat Verspijck feitelijk al was aangewezen om het bevel over de eerste expeditie over te nemen, al 13 jaar eerder op Borneo het commando over een land –en zeemacht van 4.000 man had gevoerd; daarnaast het gegeven dat gouverneur generaal Loudon de 11de mei met Verspijck als ware hij opperbevelhebber der tweede expeditie de door Verspijck te voeren tactiek doorsprak, deed vermoeden dat generaal Verspijck de opperbevelhebber vam de volgende expeditie zou worden.
Verspijck werd nu (3 juni 1873) als chef van het bureau krijgsuitrustingen aangesteld. Maar onverwacht, op 14 juni vernam hij van legercommandant Whitton dat op voorstel van gouverneur generaal Loudon aan het opperbestuur in Nederland generaal van Swieten was aangesteld als opperbevelhebber en regeringscommissaris van de volgende expeditie. Er was geen enkele reden om die samengestelde functie niet aan Verspijck toe te vertrouwen; hij was immers van 1860 tot 1863 regeringscommissaris voor de zaken in de Zuidelijke –en Oostelijke afdeling van Borneo geweest.
Verspijck bood hierop zijn ontslag aan. Het verzoek om Van Swieten tot opperbevelhebber te benoemen was duidelijk bewijs van gebrek aan vertrouwen jegens hem. Daarnaast vond Verspijck dat hij als generaal officier verplichtingen tegenover het leger had en niet kon en mocht toelaten dat zijn officiële karakter niet geacht werd. Ontslagname was in zijn functie in die omstandigheden een zedelijke plicht. De minister van kolonien, Fransen van de Putte zond Verspijck een telegram waarin vermeld stond dat “wij (Fransen van der Putte en Van Swieten) erop vertrouwden dat het belang van het land en gewichtsomstandigheden zouden gelden boven elke andere overweging.” Verspijck verklaarde dat: “iedere 2de luitenant begrijpt dat de gouverneur generaal door mij, die bijna vier jaar de generaalsrang bekleedde, die in het leger geen generaal-officier boven of naast hem had, dan de legercommandant, die men zulk een bevel moet kunnen toevertrouwen (anders diende ik geen generaal te zijn) door de ontneming van het commando een diepe onverdiende krenking had aangedaan. Een ieder van het leger zou die krenking gevoeld en begrepen hebben, terwijl het generaal Verspijck onmogelijk was zich te verdedigen middels verklaringen. Dit maakte dat hij een schijn op zich zou laten die hij feitelijk te vermijden had. Inden men als aanvoerder zijn plicht wilde kunnen doen, dan diende men in de eerste plaats het vertrouwen en de achting van zijn ondergeschikten te genieten maar dit was nu juist onverenigbaar met het denkbeeld dat de chef, in casu Verspijck, zich van wie of waar dan ook, een krenking en een vernedering had laten welvallen.
Omdat de minister in zijn telegram zinspeelde op de oorlogstoestand stelde Verspijck voor, hoewel hij bovenstaande consideraties niet losliet, om de tweede expeditie nog mee te maken en daarna alsnog ontslag te krijgen hetgeen gebeurde.
Hoewel er een groot verschil van gevoelen bestond over de wijze van opereren tussen de generaals Van Swieten en Verspijck tijdens de tweede expeditie, bleef Verspijck een model van krijgstucht en ondergeschiktheid. Van het optreden van hem in Atjeh kan iedereen met gerust hart getuigen; hij gaf bewijzen van voortreffelijk plichtsbesef en eergevoel. Wat hij kon doen deed hij. Voor wat hij meer had kunnen doen, gaf men hem de gelegenheid niet.
Willem III benoemde hem tot zijn adjudant generaal met de rang van grootofficier, gaf hem het commandeurskruis van de Willemsorde, verhief hem in de adelstand en schonk hem zijn vertrouwen en zijn vriendschap, wat beiden, koning en generaal, tot grote eer was. Gustave Marie Verspijck overleed te Den Haag op 7 mei 1909.
Luitenant generaal jhr. Gustave Marie Verspijck, als het ware geboren aanvoerder en gebieder, wiens veldheerstalent reeds uitblonk, toen hij als hoofdofficier gedurende de Bandjermasinse opstand de hoofdaanvoerder van de troepen was en zowel met vaste hand, als door beleidvolle aanvoering de opstand bedwong, en alle ernstige tegenstand de kop indrukte; de opperofficier die, hoe onbetwistbaar hij ook aanspraken mocht doen gelden en erkenning vragen voor zijn grote verdiensten als veldheer, een voorbeeld was van zelfverloochening en militaire gehoorzaamheid, door ondanks miskenning en achteruitzetting zijn plicht als soldaat te doen, waar Koning en Vaderland die nodig hadden; de held wier moed, voortvarendheid en beleid algemeen erkend werden, wiens indrukwekkende tegenwoordigheid zijn soldaten bezielde en tot grootse, roemrijke daden opwekte, hopend in zijn stalen blik goedkeuring en lof te lezen, zodat hij wellicht meer mocht vragen dan anderen en onstuimiger mocht voortdringen, want waar hij als een Ney beleidvolle aanvoering toonde, daar kon hij ook onstuimig dapper zijn als een Murat.