Biography
Van Swieten werd in Mainz (Duitsland) geboren op 28 mei 1807. Toen hij veertien jaar was schreef hij zich in als voluntair bij de 17de afdeling infanterie (10 april 1821) en werd het jaar daarop als cadet ingeschreven; na een kort verblijf bij de 9de afdeling, pas 17 jaar oud, werd hij op 26 augustus 1824 2de luitenant. Van Swieten nam nu deel aan de expeditionaire macht naar Java, tijdens de opstand van Diepo Negoro, en op 4 juni 1827 zette hij de eerste voet aan wal om deel te nemen aan de veldtochten van 1827, 1828 en 1829; hij werd voor zijn verdiensten beloond met de Militaire Willemsorde 4de klasse en de Java-medaille.
Na het einde van de Java-oorlog en de ontbinding van de expeditionaire macht keerde Van Swieten, een jaar tevoren bevorderd tot 1ste luitenant, naar Nederland terug. Van 1830-1832 nam hij deel aan de strijd tegen Antwerpen, Lier, Maastricht en elders, waarvoor hij het Metalen Kruis ontving. Op 29 mei 1835 vertrok hij met de Jagers van Cleerens opnieuw naar Indië.
Opvolgend doorliep Van Swieten de hogere officiersrangen – kapitein bij het bataljon Jagers nr. 9 en majoor bij het 12de bataljon infanterie; in die rang werd hij overgeplaatst bij het 9de, het 11de en het 6de bataljon – tot hij de 14de december 1844 op de westkust van Sumatra, waar hij 3 jaar daarvoor overgeplaatst was, bevorderd werd tot luitenant kolonel bij het 1ste, daarna bij het 4de en het 13de bataljon. Generaal A.V. Michiels rapporteerde loffelijk over overste van Swieten gedurende de veldtocht tegen de III Kota’s (waarvoor Van Swieten de Militaire Willemsorde 3de klasse ontving) maar sprak hem niet vrij van optimistische inzichten.
In 1848 werd Van Swieten chef van de staf bij de tweede expeditie tegen Bali; hij schreef een verslag over deze mislukte veldtocht en ageerde tegen onze staatkunde, die uitsluitend de schuld zou dragen van de offers in geld en bloed, daar men zich, na de eerste Balische expeditie in 1846, door de vijand met valse beloften had laten paaien en hem vervolgens twee en een halve maand de tijd had gegeven om zich duchtig te versterken (sic!).
Bij het begin van de 3de Balische expeditie commandeerde overste van Swieten het 13de bataljon, dat de vijandelijke stelling vóór Djagaraga in front aan moest vallen. Aldaar doorstond het bataljon zulk een hevig vuur, dat binnen korte tijd een zevende der sterkte uitgeschakeld werd. Luitenant van Swieten en Prager en 18 minderen stierven de heldendood; 8 officieren en 85 minderen raakten gewond. De dag daarop, op 16 april 1849, deed Van Swieten een hernieuwde aanval, waarop de Balinezen hun stelling opgaven.
Nadat generaal Michiels dodelijk gewond was geraakt nam Van Swieten het opperbevel van de expeditionaire macht op zich; zijn benoeming tot commandant van de troepen van de landmacht volgde op 3 juni 1849; op 9 augustus van datzelfde jaar werd hij buitengewoon bevorderd tot kolonel en verkreeg het ridderschap der Nederlandse Leeuw. In zijn nieuwe rang werd hij aangesteld als civiel en militair gouverneur van Sumatra’s westkust; op 6 oktober 1853 werd hij bevorderd tot generaal majoor en op 10 juni 1856 tot adjudant des konings in buitengewone dienst.
In 1857 sloot Van Swieten in eerder genoemde functie het bekende traktaat met de sultan van Atjeh; op 9 juni 1858 werd hij benoemd tot luitenant generaal en commandant van het Indische leger (6 oktober 1858). In 1859 kreeg hij het opperbevel over de tweede expeditie naar Boni en werd daarvoor beloond met het commandeursschap der Militaire Willemsorde. In 1862 legde Van Swieten het opperbevel voor het Indische leger neer en vroeg ontslag uit ’s lands dienst om voor zijn kinderen te gaan zorgen.
In Nederland werd hij benoemd tot Staatsraad in buitengewone dienst (16 februari 1864), tot gouvernementscommissaris bij de Nederlands Indische Spoorwegmaatschappij; eindelijk tot lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal. Verder was hij buitengewoon lid van de Raad van State en oefende grote invloed uit op de afschaffing van rottingslagen bij de korpsen in Indië.
Na de eerste mislukte expeditie naar Atjeh verzocht gouverneur generaal Mr. J. Loudon de minister van kolonieen om luitenant generaal van Swieten te belasten met het opperbevel, Van Swieten was toen 66 jaar. Na de terugkeer van de expeditionaire hoofdmacht werd Van Swieten op 18 juli 1874 eervol van zijn functie ontheven met de machtiging om eerlang naar Nederland terug te keren en in september van datzelfde jaar verkreeg hij op verzoek eervol ontslag uit de militaire dienst. Voor de tweede Atjehnese expeditie werd Van Swieten beloond met het grootkruis der Militaire Willemsorde.
Het valt niet te ontkennen, dat Van Swieten als krijgsoverste, die gedurende zijn gehele loopbaan bewezen had hoe gestrengheid en menslievendheid hand aan hand kunnen gaan, overdreef door Europese oorlogsgebruiken te eerbiedigen tegenover de strijdlustige Atjehnees, wiens fanatisme onvatbaar bleek voor gevoelens van liefde en vriendschap en die zijn eeuwenoude vrijheid met volharding, enkel door kogels en klewanghouwen wenste te verdedigen.
Van Swieten overleed te Den Haag op 9 september 1888.
Na het einde van de Java-oorlog en de ontbinding van de expeditionaire macht keerde Van Swieten, een jaar tevoren bevorderd tot 1ste luitenant, naar Nederland terug. Van 1830-1832 nam hij deel aan de strijd tegen Antwerpen, Lier, Maastricht en elders, waarvoor hij het Metalen Kruis ontving. Op 29 mei 1835 vertrok hij met de Jagers van Cleerens opnieuw naar Indië.
Opvolgend doorliep Van Swieten de hogere officiersrangen – kapitein bij het bataljon Jagers nr. 9 en majoor bij het 12de bataljon infanterie; in die rang werd hij overgeplaatst bij het 9de, het 11de en het 6de bataljon – tot hij de 14de december 1844 op de westkust van Sumatra, waar hij 3 jaar daarvoor overgeplaatst was, bevorderd werd tot luitenant kolonel bij het 1ste, daarna bij het 4de en het 13de bataljon. Generaal A.V. Michiels rapporteerde loffelijk over overste van Swieten gedurende de veldtocht tegen de III Kota’s (waarvoor Van Swieten de Militaire Willemsorde 3de klasse ontving) maar sprak hem niet vrij van optimistische inzichten.
In 1848 werd Van Swieten chef van de staf bij de tweede expeditie tegen Bali; hij schreef een verslag over deze mislukte veldtocht en ageerde tegen onze staatkunde, die uitsluitend de schuld zou dragen van de offers in geld en bloed, daar men zich, na de eerste Balische expeditie in 1846, door de vijand met valse beloften had laten paaien en hem vervolgens twee en een halve maand de tijd had gegeven om zich duchtig te versterken (sic!).
Bij het begin van de 3de Balische expeditie commandeerde overste van Swieten het 13de bataljon, dat de vijandelijke stelling vóór Djagaraga in front aan moest vallen. Aldaar doorstond het bataljon zulk een hevig vuur, dat binnen korte tijd een zevende der sterkte uitgeschakeld werd. Luitenant van Swieten en Prager en 18 minderen stierven de heldendood; 8 officieren en 85 minderen raakten gewond. De dag daarop, op 16 april 1849, deed Van Swieten een hernieuwde aanval, waarop de Balinezen hun stelling opgaven.
Nadat generaal Michiels dodelijk gewond was geraakt nam Van Swieten het opperbevel van de expeditionaire macht op zich; zijn benoeming tot commandant van de troepen van de landmacht volgde op 3 juni 1849; op 9 augustus van datzelfde jaar werd hij buitengewoon bevorderd tot kolonel en verkreeg het ridderschap der Nederlandse Leeuw. In zijn nieuwe rang werd hij aangesteld als civiel en militair gouverneur van Sumatra’s westkust; op 6 oktober 1853 werd hij bevorderd tot generaal majoor en op 10 juni 1856 tot adjudant des konings in buitengewone dienst.
In 1857 sloot Van Swieten in eerder genoemde functie het bekende traktaat met de sultan van Atjeh; op 9 juni 1858 werd hij benoemd tot luitenant generaal en commandant van het Indische leger (6 oktober 1858). In 1859 kreeg hij het opperbevel over de tweede expeditie naar Boni en werd daarvoor beloond met het commandeursschap der Militaire Willemsorde. In 1862 legde Van Swieten het opperbevel voor het Indische leger neer en vroeg ontslag uit ’s lands dienst om voor zijn kinderen te gaan zorgen.
In Nederland werd hij benoemd tot Staatsraad in buitengewone dienst (16 februari 1864), tot gouvernementscommissaris bij de Nederlands Indische Spoorwegmaatschappij; eindelijk tot lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal. Verder was hij buitengewoon lid van de Raad van State en oefende grote invloed uit op de afschaffing van rottingslagen bij de korpsen in Indië.
Na de eerste mislukte expeditie naar Atjeh verzocht gouverneur generaal Mr. J. Loudon de minister van kolonieen om luitenant generaal van Swieten te belasten met het opperbevel, Van Swieten was toen 66 jaar. Na de terugkeer van de expeditionaire hoofdmacht werd Van Swieten op 18 juli 1874 eervol van zijn functie ontheven met de machtiging om eerlang naar Nederland terug te keren en in september van datzelfde jaar verkreeg hij op verzoek eervol ontslag uit de militaire dienst. Voor de tweede Atjehnese expeditie werd Van Swieten beloond met het grootkruis der Militaire Willemsorde.
Het valt niet te ontkennen, dat Van Swieten als krijgsoverste, die gedurende zijn gehele loopbaan bewezen had hoe gestrengheid en menslievendheid hand aan hand kunnen gaan, overdreef door Europese oorlogsgebruiken te eerbiedigen tegenover de strijdlustige Atjehnees, wiens fanatisme onvatbaar bleek voor gevoelens van liefde en vriendschap en die zijn eeuwenoude vrijheid met volharding, enkel door kogels en klewanghouwen wenste te verdedigen.
Van Swieten overleed te Den Haag op 9 september 1888.