Biography

Cool werd geboren op 26 mei 1848 te Den Haag. Na zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie werd hij luitenant der genie bij het bataljon mineurs en sappeurs te Nijmegen, in 1876 bij de staf der genie te Amersfoort en Utrecht. Per 1 november 1877 tot 1 september 1882 was hij officier (kapitein) in het Nederlands Indisch Leger: hij ondernam de tochten naar Lampanas en Selimoen onder generaal Karel van der Heijden (als chef van de staf); in 1880 vertrok hij naar de gewestelijke geniedienst te Padang. Vanaf Padang werd Cool (om gezondheidsredenen) overgeplaatst naar Fort de Kock, waar hij diende onder de eerst aangewezen ingenieur, majoor der genie Egbert Broer Kielstra, later een bekend lid der tweede kamer en Indisch specialist. In de zomer van 1882 werd hij aangesteld als hoofd van het onderwijs in de geniewetenschappen aan de Koninklijke Militaire Academie.

In 1886 kwam zijn artikel ''Het Atjeh-vraagstuk'' in de Militaire Spectator van 1886 uit. Uiterst scherp luidde zijn oordeel over de vervanging van generaal van der Heijden door de civiele gouverneur A. Pruijs van der Hoeven te Atjeh.

Mede naar aanleiding van genoemde artikel werd Cool door de inspecteur der genie Kromhout, die dit aan de minister van oorlog voorstelde, teruggeplaatst bij de praktische geniedienst. Op 23 mei 1887 keurde deze het voorstel goed, zelfs zonder de gouverneur van de KMA ooit gehoord te hebben. In de geschiedenis van de KMA is geen tweede voorbeeld te vinden dat iemand in de zo belangrijke functie van hoofd van onderwijs terzijde wordt gezet zonder enig nader onderzoek en volkomen buiten de gouverneur om.

In de daarop volgende drie jaren zette Cool de voorbereidingen van brugvernielingen volledig in elkaar; deze studie trok in hoge mate de aandacht, omdat zij als een van de eerste hier te lande het moderne verspreide gevecht in de linieverdediging inleidde en onder meer in de ''Revue de Genie Militaire'' een zeer waarderende bespreking kreeg.

In dezelfde tijd schreef Cool samen met kapitein G.B. Hooyer ''De Lombok expeditie'' (1894); dit werk telde bijna 500 bladzijden; de eerste helft was uitsluitend gewijd aan een geschiedkundige en etnografische beschrijving van Lombok, terwijl de tweede helft de eerste en tweede Lombok expeditie behandelde. De Militaire Spectator oordeelde over dit werk: ''dit onderzoek is op even onpartijdige en nauwgezette wijze geleid, als de uitslag daarvan behoorlijk gemotiveerd en met passende vrijmoedigheid te boek is gesteld.''

Met ingang van 1 mei werd Cool, na negentien jaar dienst als kapitein en met bijna 29 jaren dienst als officier bevorderd tot majoor. Hier, bij de genietroepen te Utrecht, was de tactische genist weer in zijn element. Cool bleef ook in deze tijd publiceren in de ''Militaire Spectator'', onder meer over ''de aanval en verdediging van vestingen'' (1901) en ''Onze Defensie'', een studie uit 1903. Hij werd in 1904 onderscheiden met het ridderkruis van de orde van de Nederlandse Leeuw. Bij Koninklijk Besluit van 26 september 1907 werd hij benoemd tot Inspecteur van het Militair Onderwijs en in verband daarmee over geplaatst bij de Grote Staf. Hij werd nu bevorderd tot generaal majoor.

Generaal Frederik Henri Alexander Sabron vroeg in de zomer van 1909 onder meer om gezondheidsredenen eervol ontslag als minister van oorlog en aldus volgde Cool hem op. Hij merkte over zijn ministerschap op: ''Ik aanvaard de portefeuille niet met onverdeeld genoegen en begrijp ten volle welke zware taak ik op mij nam. Maar toen zij mij werd aangeboden mocht ik niet weigeren.''

Vooral de Anti Revolutionaire Partij was onder leiding van dr. Abraham Kuijper van het begin af Cool zeer onwelwillend gestemd (mede omdat hij niet een van hen was) en heeft hem op den duur zijn bestaan als minister van oorlog onmogelijk gemaakt. De grootste grief was dat Cool op zondag een vliegdemonstratie had bijgewoond. Een tweede grote grief was dat hij een kolonel, die geduelleerd had, toch generaal majoor en inspecteur der cavalerie maakte. Een derde grief was dat de ARP de wens uitsprak dat in dienstverbintenissen van militaire muzikanten het recht mocht worden opgenomen om te weigeren op zondag deel te nemen aan muziekuitvoeringen. Minister Cool verklaarde zich, zowel op principiële als utiliteitsgronden daartegen. Het ARP Kamerlid Albertus Jacobus Duymaer van Twist meldde toen: ''Mijnheer de voorzitter, dit antwoord van de minister spijt mij. Ik had gehoopt dat ik van een minister uit dit kabinet een ander antwoord gekregen zou hebben.''

Bij Koninklijk Besluit van 8 februari 1912 werd Cool benoemd tot lid en voorzitter van de weduwen -en wezenkas voor de officieren van de landmacht. Tevens bleef Cool publiceren onder meer: ''Het wetsontwerp tot reorganisatie van het leger'' en ''De nieuwe regeringsvoorstellen ter verbetering van de kustverdediging.''

Generaal Cool werd bij koninklijk besluit van 31 maart 1913 met ingang van 16 april daaropvolgend benoemd tot lid van de Raad van State. Hij was nauwelijks een jaar lid toen de eerste wereldoorlog uitbrak. Gedurende vele jaren was Cool een tegenstander van de samensmelting van de ministeries van oorlog en van marine omdat hij een onvoldoende behartiging van onze Nederlands Indische en onze algemene maritieme belangen vreesde. Hij zag ook weinig in ''een burger minister alhier die slechts bij hoge uitzondering het geheel overzien en de koers aangeven zou kunnen.

In de jaren daarna maakte Cool zich ondermeer sterk voor de verbreding van de algemene dienstplicht, vooral ook met het oog op de dan voortschrijdende oorlog, waardoor krachtige , liefst spoedige versterking van onze levende strijdkrachten hoogst gewenst was: “Sinds de tegenwoordige oorlog woedt, is steeds duidelijker gebleken, dat een volk zich niet kan veroorloven voor de landsverdediging geschikte krachten onbenut te laten.” De Kamer stond er op 23 juli 1915 op, dat de regering met de oproep niet verder zou gaan dan tot alle landweermannen door landstormers waren afgelost waarop Cool repliceerde: “Het mooie, het hogere, ethische beginsel van het oorspronkelijke ontwerp is geheel verdwenen. Ontzield. Ontdaan van alle geestdrift is de wet, die van een verhoogd nationaal leven en bewustzijn moest spreken, verlaagd tot een noodwetje! Ter ere van Jan Salie! En tot lering van onze buren, die ons nationaal plichtsbewustzijn en militaire offerzin nu naar juiste waarde kunnen schatten”. Zelden is het voorgekomen dat een lid van de Raad van State zó scherp de pen voerde en openlijk , hoewel terecht, een der ministers alsmede de meerderheid van de Tweede Kamer finaal uitkleedde.

Uit de latere levensjaren van generaal Cool valt weinig meer te melden. Zijn zeer drukke werkzaamheden voor de Raad van State stond verder werk, inclusief publicaties, in de weg.

Nog voor de namiddag van 20 november 1928 sliep de generaal schier pijnloos in. Wat Cool als laatste regel van zijn brochure in 1886 over het Atjeh vraagstuk de “wakkere belangeloze strijder” voor een energiek Atjeh-beleid, overste Verstege, had voorgehouden, daarbij het vertrouwen uitsprekende, “dat hij zijn roeping getrouw, zal blijven volharden… ten einde toe”, het was thans aan Cool zelf waargemaakt: ““Life’s race well run, life’s work well done, life’s crown well won, then comes rest.” Ja, “Life’s crown well won”, dat had hij zeker! Terecht schreef een van onze voornaamste dagbladen, dat de generaal als in het harnas gestorven was; toch was hij 80 ½ jaar oud! Met hem ging een hoogst strijdbaar, schier immer strijdend militair, een hoogstaand, nationaal gevoelend vaderlander. Laat men zijn zeer belangrijke studies op het gebied van de duurzame versterkingskunst, die meer technisch waren, maar van een vooruitstrevende geest en praktische zin getuigden, verder buiten beschouwing, dan heeft Cool vooral uitgeblonken in zijn strijd voor beter en ruimer militair onderwijs en voor versterking van het gehalte van onze levende strijdkrachten.

Maar het meest van alles en van allen heeft Cool geschitterd als een onvermoeide, nimmer loslatende, immer rake strijder voor een energieke, mobiele, offensieve, militaire Atjeh-politiek in een tijd, toen lauwheid, gevoel van onmacht en een averechtse politiek dreigden daar alles verloren te doen gaan. Het wegzenden van de Koninklijke Militaire Academie ten gevolge van zijn kritische artikelen over het Atjeh-beleid in 1887 was onverdiend en hard; ergerlijker was nog de achtervolgingsperiode in 1891-1898, waarin hij, die zó hoog stond, die zoveel en reeds zó veelzijdig had gepresteerd, ook bij de geniedienst hier te lande en in Nederlands Indië, met kleine, soms schier geniepige middelen klein gehouden werd en teruggezet. Wat het Cool –zelf zo meermalen in de bres springende voor rechtvaardigheid en goede trouw- wel het meest moet hebben gekost, dit onrecht, die onderdrukking en terugzetting, soms kwelling te ondergaan, dat gemis aan gelegenheid om zijn krachten te ontplooien, het moet onbeschrijfelijk geweest zijn.

“Toch ben ik niet gerust. Ook ginds is de hemel niet helder; zwarte dreigende wolken beginnen zich samen te pakken, reeds vernemen wij in de verte het rommelen van de donder. De vele tekortkomingen en gebreken, de toestand van werkloosheid, waarin men onze kolonieen laat volharden, en meer nog dan dat, het gemis in onze weerbaarheid, in ons verdedigingsvermogen, de volkomen onverschilligheid bij het gros der bestuurders voor het kostbaar erfdeel, waarvan het de hoede voor een groot deel aan vreemden overlaat, het gebrek aan ondernemingsgeest, aan energie bij de natie, het gemis aan kracht, geestdrift, besef van hoger roeping bij een regering, die slechts administreert, maar niet bestuurt, slechts op bezuiniging beducht is, maar nieuwe bronnen van welvaart verwaarloost, ja belemmert, die vreemde inmenging toestaat in haar koloniaal beleid…verhoogde druk, niet evenredig met vermeerdering van draagkracht, van welvaart der Indische of Europese bevolking, integendeel, stilstand hier, crisis daar, malaise op bijna elk gebied… en het leger, de kurk waar ons bestaan in het oosten op drijft, geknakt in de eindeloze strijd, en meer nog dan dat, miskend, aan een vredesfictie geofferd, tot de terugtocht gedwongen, aan handen en voeten gebonden, lijdelijk afwachtend, gedeprimeerd… het prestige ondermijnd, het Mohammedanisme evenzeer in kracht winnend, woedend, hier en daar reeds de kop opstekend,… het zijn allen tekenen voor hem, die niet ziende blind, of horende doof is. Gaan ook hier onze krachten tekort schieten, worden wij onze roeping ontrouw? Zal een andere, krachtiger natie, de taak overnemen, die te zwaar valt aan het nageslacht?

Aan de hand van het verleden wordt de geschiedenis der toekomst geschreven. Nog hult zij zich in nevelen…. Wat zal het zijn als straks op de vleugels van de tijd de adem van de stormwind ze heeft weggevaagd?”